FR | NL
Home | Over Vax Info | Links | Contacteer ons

Hepatitis Bprint

Neonati van HBsAg-positieve moeders

gepubliceerd op dinsdag 1 oktober 1996

De preventie van de verticale transmissie berust op een veralgemeende opsporing van HBsAg bij alle zwangeren en, in geval van een positief resultaat, in het zo snel mogelijk toedienen van gammaglobulines aan en vaccinatie van de pasgeborene. De twee injecties gebeuren gelijktijdig, maar op een verschillende plaats.

De veralgemeende vaccinatie tegen hepatitis B van neonati en adolescenten wordt sinds kort ook in België aanbevolen. Dit moet over een termijn van 10 à 20 jaar de incidentie van deze ziekte gevoelig verminderen. Intussen is het essentiëel om risico-personen afdoende te beschermen.
Het gaat hier met name om de verticale transmissie van moeder op kind tijdens de neonatale periode. Het risico bedraagt gemiddeld 40% (95% bij HBeAg-positieve vrouwen, 15% bij HBeAg-negatieve vrouwen). De transmissie gebeurt in 95% van de gevallen tijdens de bevalling.
Een recent onderzoek in de Amerikaanse staat Connecticut onderstreept het belang van een systematische opsporing en opvolging van HBsAg-positieve vrouwen. Het programma bestond erin dat alle HBsAg-positieve vrouwen informatie kregen vóór hun bevalling en dat pediaters en kraaminstellingen op de hoogte werden gebracht van de HBsAg-status. De preventieve maatregelen werden via een geautomatiseerd programma opgevolgd. Hierdoor werd een vaccinatiepercentage van 91% bereikt, tegenover 48% bij kinderen die niet in het programma waren opgenomen.

Twee recente enquètes, de ene in Brussel en Wallonië, de tweede in Vlaanderen, tonen aan dat vele artsen slecht zijn ingelicht over de preciese modaliteiten en dat de aanbevelingen slecht worden toegepast.
Er blijven vele vragen onbeantwoord: hoeveel vrouwen maken effectief gebruik van de opsporingsmogelijkheden en hoeveel pasgeborenen ontvangen effectief gammaglobulines en het vaccin na de geboorte ?

WALLONIE EN BRUSSEL

Een studie van Provac (ULB) uit 1995 bij een representatieve groep van vrouwen die bevielen in een ziekenhuis in Wallonië en in Brussel, had als opzet om na te gaan welke informatie beschikbaar was over de serologische toestand van de moeders tijdens hun verblijf in het moederhuis.
De gegevens werden ingezameld aan de hand van het medisch dossier. In totaal werden 300 dossiers geanalyseerd.

Resultaten en bespreking

In 91,3 % van de dossiers werden gegevens over de prenatale opvolging teruggevonden. In 38,7 % van de gevallen ontbrak echter elke verwijzing naar het serologische statuut van de vrouwen m.b.t. Hep. B.
Wanneer een dosering van het HBsAg in het dossier was vermeld (29 % van de totale steekproef), dan was dat gemiddeld in de 17de zwangerschapsweek gebeurd. Bij de overgrote meerderheid van de vrouwen (92%) bij wie een HBsAg-dosering was gevraagd, gebeurde dit slechts één keer.
Deze studie toont aan dat, ondanks de goede prenatale begeleiding van vrouwen, de overdracht van gegevens die nuttig kunnen zijn bij de bevalling, zeer gebrekkig verloopt.
In termen van volksgezondheid heeft dit twee belangrijke gevolgen :
- een verhoogd risico op verticale transmissie omdat het ontbreken van gegevens i.v.m. de HBsAg-status ten onrechte gelijk wordt gesteld met een negatief resultaat.
- Een verhoging van de kosten voor opsporing van de infectie door de vermenigvuldiging van serologische tests die op het ogenblik van de bevalling nog moeten gebeuren.

Maatregelen

Een Nederlands onderzoek heeft de efficiëntie aangetoond van een veralgemeende serologische depistage van HBV tijdens de 14de zwangerschapsweek, plus een serologische depistage op het ogenblik van de bevalling bij alle vrouwen die tijdens de zwangerschap zelf niet werden getest.
Door deze strategie worden 97% van de vrouwen bereikt. Bij deze studie werden 87% van de vrouwen getest tijdens de zwangerschap, 10% op het ogenblik van de bevalling. Deze studie toonde ook aan dat de incidentie van HBV-positieve moeders 1,6% bedraagt bij diegenen die tijdens de 14de week werden getest en 4% bij diegenen die tijdens de bevalling werden getest. De vrouwen die het minst goed gevolgd worden tijdens hun zwangerschap, behoren dus tot de belangrijkste risicogroepen : immigranten uit endemische landen, toxicomanen en vrouwen met wisselende seksuele partners.
Ons land is epidemiologisch goed vergelijkbaar met Nederland. Omdat, in tegenstelling tot in Nederland, hier echter veel minder thuisbevallingen gebeuren, kan men ervan uitgaan dat de toepassing van dezelfde preventie- strategie bij ons minstens even goede resultaten zal opleveren.

Dr B. Swennen

VLAANDEREN

Sinds 20 augustus 1991 wordt het hepatitis B vaccin voor neonati volledig terugbetaald indien de moeder positief werd bevonden voor het HBsAg (Staatsblad, 20.08.1991, §33e). Naar aanleiding van deze wetswijziging werd door de Vakgroep Epidemiologie en Sociale Geneeskunde van de Antwerpse Universiteit (UIA), in samenwerking met de dienst Pediatrie van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (UZA), een enquête uitgevoerd bij 425 Vlaamse pediaters. We peilden naar de kennis van terugbetaling van het hepatitis B vaccin voor deze neonati ‘at risk’ en het daaraan gekoppelde vaccinatiebeleid.
36% van de 425 aangeschreven kinderartsen antwoordden, waarvan 73% mannen. De gemiddelde leeftijd was 47,3 jaar, met gemiddeld 17,1 jaren praktijkervaring. We vermoeden dat het hier gaat om een selecte steekproef van pediaters, nl. diegenen die geïnteresseerd zijn voor hepatitis B.

Resultaten

Indien een zwangere vrouw door een gynaecoloog gescreend wordt en ze HBsAg positief is, dan wordt 76% van de pediaters persoonlijk door de desbetreffende gynaecoloog verwittigd. In 14% van de gevallen gebeurt dit enkel via het dossier en in 2% gebeurt dit helemaal niet. In 8% van de gevallen wordt de wijze van overdracht van informatie niet gespecifieerd.
Als de moeder HBsAg positief is, wordt door 91% van de pediaters het volgende beleid gevoerd bij de neonatus : toediening van immuunglobulines en vaccin. Slechts 8% voert enkel een vaccinatie uit.
Het beleid is per kinderarts wel verschillend qua timing (zie tabel).

Uit de enquête blijkt dat slechts 75% van de deelnemende kinderartsen op de hoogte is van de terugbetalingsregeling voor ‘high risk’ neonati. 11% denkt dat het vaccin niet wordt vergoed en 13% heeft geen flauw idee.
Ook blijkt dat 83 % van de pediaters nooit persoonlijk op de hoogte werd gebracht van de wetswijziging. 17% zou er wel op zijn gewezen, niet door het ministerie, maar door vertegenwoordigers van farmaceutische bedrijven, literatuur, labo, RIZIV,...

Bespreking

Uit deze enquête blijkt dat het beleid dat door de Vlaamse pediaters gevoerd wordt bij neonati van HBsAg positieve moeders zeer verschillend is. Vooral het tijdstip van toediening blijkt erg uiteen te liggen. Er bestaat nochtans internationaal een consensus over het feit dat immuunglobulines best zo snel mogelijk na de geboorte worden toegediend. Als limiet gelden de eerste 12 levensuren.
Zekerheidshalve wordt de eerste dosis van het hepatitis B vaccin samen met de immunoglobulines toegediend onmiddellijk na de geboorte. Deze simultane injecties moeten op 2 verschillende plaatsen gebeuren om interactie te voorkomen.
Het lijkt ons erg nuttig om te streven naar een eenvormig vaccinatiebeleid in Vlaanderen. Goede informatie aan kinderartsen, huisartsen, gynaecologen en vroedvrouwen is daarvoor onontbeerlijk.

K. De Groote, P. Van Damme, A. Meheus,
vakgroep Epidemiologie - UIA,
A. Deprettere,
dienst Pediatrie - UZA

Referenties :
- Grosheide P.M. et al. Proposal for routine antenatal screening at 14 weeks for hepatatis B surface antigen. BMJ, 1995, 311, 1197 - 1199.
- Swennen B. et Dusart A.F. Enquête sur la connaissance du statut sérologique Hépatite B et rubéole des mères au moment de l’accouchement. Rapport Provac 1995.
- Raymond S. Hepatitis B today : clinical and diagnostic overview. J Ped Infect Dis, 1993; 12 : 427-453.
- American Academy of Pediatrics. Hepatitis B. In : Peter G. ed. Red Book : Report of the Committee of Infectious Diseases. 23rd ed. Elk Grove Village, II : American Academy of Pediatrics: 1994; p 224-238.
- Centers for Disease Control. Hepatitis B : A comprehensive strategy for eliminating transmission in the United States through universal childhood vaccination: recommendation of the Immunization Practices Advisory Commitee (ACIP). MMWR,1991; 40 : 11-13.


Abonneer u op de nieuwsbrief